Algemene Informatie
Geografische ligging
Albanië ligt in Zuidoost Europa, maar in het Westen van de
Balkan. De geografische coördinaten zijn: 39 16’ breedtegraden
en 42 39’ lengtegraden. Albanië ligt bijna halverwege
tussen de evenaar en het noordpoolgebied. De oppervlakte van het
land bedraagt 28.748 km². De grenzen van Albanië zijn
samen maar liefst 1094 km lang, waarvan 657 km landgrenzen, 316
km zeegrenzen, 48 km riviergrenzen en 73 km meergrenzen. Albanië
heeft dus een mooie combinatie van natuurlijke- en afgesproken grenzen.
Albanië grenst in het noorden en noordoosten aan Servië-Montenegro,
in het oosten aan de voormalig Joegoslavische Republiek Macedonië
en in het zuiden grenst Albanië aan aartsrivaal Griekenland.
Aan de westgrens wordt Albanië gewassen door zowel de Adriatische
zee als de Ionische zee. De gemiddelde hoogte bedraagt 708 m, dat
is 2 keer zo hoog als het gemiddelde in Europa. Albanië ligt
in het vochtige subtropische deel van het noordelijk halfrond, hoewel
het een Middellandse zeeklimaat kent.
Klimaat
Zeegebieden: Centraal Middellands zeeklimaat, milde en natte winters,
hete en droge zomers.
Berggebieden: Centraal landklimaat, koude en wilde winters, natte
zomers.
Reliëf
Laagland – West-Albania, vlak – Oost-Albania
Bergen – Noord-Albania, hoogste berg – Korabi Mountain
(2,753 m)
Demografie
3,364,571 inwoners (juni 1999)
95% Albanezen, 3% Grieken en 2% overig
Hoofdstad
Tirana (sinds 1920)
Andere grote steden
Durres, Vlora, Saranda, Shkodra, Berat, Korca, Gjirokastra, Elbasan
Officiële taal
Albanees
Albanees is een Indo-europese taal, bijzonder door unieke eigenschappen
van de taal. De Griekse geograaf Ptholemeos erkende de taal van
de Albanezen al in de 2de eeuw na Christus. De naam ‘Shqiperi’
(Albanië) verving de ‘oude’ naam ‘Arberi’
(of Arbani) aan het einde van de 17de eeuw, vanwege de nieuwe historische
verhoudingen en met de bedoeling de verbinding tussen het nationale
gevoel en het gebruik van de Albanese taal te verbeteren, wat tot
dan toe ‘Shqip’ werd genoemd. Het Albanees wordt ook
gesproken in delen van Kosovo, Servië-Montenegro en Macedonië
waar etnische Albanezen wonen. In die landen wonen ook veel oorspronkelijk
Albanezen.
Historische achtergrond
Het grondgebied van Albanië is al sinds de oudheid bewoond.
Er zijn sporen van leven gevonden uit het midden en einde van de
Paleolitische periode (100 000 – 10 000 jaar geleden) in Xare,
evenals in de grot van de Heilige Marina te Saranda.
Albanezen zijn directe nakomelingen van de Illyriërs. De Illyriërs
leefden in het westelijke deel van de Balkan, tot aan de rivieren
Sava en Danube in het noorden, de rivieren Morava en Vardar in het
oosten (het grensgebied met Thrake) en het Pindi gebergte in het
zuiden en zuidoosten (het grensgebied met de Grieken en Macedoniërs).
Na het uiteenvallen van het Romeinse Rijk in 395, bleef Illyria
onder het gezag van het Byzantijnse Rijk. In de daaropvolgende periode,
onderging het verschillende invasies van barbaarse volkeren, zoals
de Gothen, de Avaren enzovoorts. Tijdens de 4de en 5de eeuw werd
het noorden en oosten van Illyria overgenomen door de Slaven. Ze
namen ook delen van Macedonië in, die in een latere periode
werden geassimileerd.
Na de invasie van het Ottomaanse Rijk in de 14de eeuw kwam er voor
het eerst een Arberiaans (Albanees) leger, maar door verschillende
opstanden van de Albanese adel kwam daar een grote weerstand tegen
onder leiding van de nationale held Gjergj Kastrioti, beter bekend
als Scanderbeg.
Scanderbeg kreeg het voor elkaar een onafhankelijke Albanese staat
(Arberia) te stichten, waarvan de vlag later ook de vlag werd van
Albanië.
De 18de eeuw staat bekend door de opkomst van 2 zeer goed georganiseerde
en zeer sterke ‘patriarchen’: de patriarch van Bushatllinj
(waarvan Shkodra het centrum was en dat door Karamahmut Pasha Bushatlli
werd geregeerd); en de patriarch van Ioaninna (waarvan Ioaninna
het centrum was en door Ali Pashe Tepelena werd geregeerd). Het
hoogtepunt van de strijd voor onafhankelijkheid en het nationalisme
werd bereikt door de organisatie van de Albanese Renaissance, opgericht
in 1830.
Deze organisatie was zeer goed georganiseerd onder leiding van de
Prizren in 1878, die worden gezien als de eerste militaire en politieke
leiders van de Albanese opstandelingen. Helaas besloot het congres
van Berlijn het Albanese grondgebied te verdelen over van de aangrenzende
landen Montenegro, Servië en Griekenland.
Ondanks alles overwon de organisatie voor Albanese vrijheid met
de onafhankelijkheidsverklaring van Albanië op 28 november
1912.
Tijdens de eerste wereldoorlog werd Albanië omgedoopt tot slagveld,
en werd het voortdurend binnengevallen door landen als Italië,
Servië, Montenegro, Griekenland, Frankrijk en Oostenrijk-Hongarije.
Het congres van Lushnia (een stad 90 km ten zuiden van Tirana) benoemde
in 1920 met toestemming van vertegenwoordigers van alle staten Tirana
tot de hoofdstad.
De constitutionele vergadering verklaarde op 21 januari 1925 Albanië
tot Parlementaire Republiek en koos Ahmet Zog tot president van
Albanië. Hij kreeg echter zoveel macht in handen dat de republiek
in feite fungeerde als een autocratie.
Op 1 september 1928 veranderde de constitutionele vergadering de
republiek Albanië dan ook in een Albanees democratisch parlementair
koninkrijk, met Ahmet Zog als koning, die de adellijke titel ‘Zog
I’ ontving.
Het fascistische Italië viel Albanië op 7 april 1939 binnen.
Daarop besloot de constitutionele vergadering op 12 april van datzelfde
jaar dat er een einde moest komen aan het koninkrijk van Zog, en
ze benoemden Victor Emanuel III tot nieuwe koning. Albanië
bleef officieel een Constitutioneel Koninkrijk onder het bewind
van Savoy.
Op 29 november 1944 werd Albanië bevrijd van de nazi’s.
Vanaf toen werd Albanië geregeerd door de communistische Enver
Hoxha, die ervoor zorgde dat het land zich afzonderde van de rest
van de wereld.
Op 11 januari 1946 benoemde de constitutionele vergadering Albanië
tot een republiek van het volk, oftewel tot een dictatuur. Deze
dictatuur duurde ongeveer een halve eeuw, tot 29 april 1991, toen
het eerste moderne parlement de Albanese Parlementaire Republiek
verklaarde.
Politiek Systeem
Parlementaire Republiek
Vlag omschrijving: rood met een zwarte tweekoppige adelaar in het
midden
Economie (bron: CIA Book of Facts)
Voor Europese maatstaven is Albanië vrij arm en onderontwikkeld,
maar het land is bezig de moeilijke stap te maken naar een open
markt economie. De overheid heeft strenge maatregelen getroffen
om gewelddadig gedrag in te dammen en om de economie te laten herleven.
De economie wordt draaiende gehouden door overschrijvingen van emigranten
uit het buitenland, voornamelijk Griekenland en Italië, voor
een totaalbedrag van 400 tot 600 miljoen dollar. De landbouw, zorgt
voor de helft van het BNP maar leidt onder de steeds terugkerende
droogte en het gebrek aan moderne apparatuur om grote hoeveelheden
grondgebied te bewerken.
BNP: koopkrachtpariteit - $14 miljard(2002)
BNP – werkelijk groeipercentage: 5% (2002)
BNP - compositie per sector: landbouw: 49%, industrie: 27%, diensten:
24% (2002)
Bevolkingspercentage onder de armoedegrens: 30% (2001)
Inflatie percentage (prijzen voor consumenten): 6% (2002)
Arbeidskrachten: 1.283 miljoen (exclusief 352,000 gastarbeiders
en 261,000 huishoudelijk werklozen) (2000)
Industrieën: voedselproductie, textiel en kleding; hout, olie,
cement, chemicaliën, mijnbouw, grondmetalen, hydro-energie
Export - goederen: textiel en schoeisel; asfalt, metalen and metaal
ertsen, ruwe olie; vegetatie, fruit, tabak
Export - arbeiders: Italië 71%, Griekenland 12%, Duitsland
7%, voormalig Joegoslavië 3% (2001)
Import - goederen: machines en materiaal, levensmiddelen, textiel,
chemicaliën
Import - arbeiders: Italië 32%, Griekenland 26%, Turkije 6%,
Duitsland 6%, Bulgarije 2% (2001)
Schuld - extern: $784 miljoen (2000)
Munteenheid: Lek (ALL)
(bron: de website van het Albanese Ministerie van Buitenlandse zaken:
http://www.mfa.gov.al/english/info.asp)